Bouwstuk tijdens 

Opening Werkjaar 2022-2023

en de viering van 50 jaar vrijmetselaar

van  de vrienden

Aart Blom &  Jan Treffers


VRIENDSCHAP <> BROEDERSCHAP



Je hebt iemand nodig 

Stil en oprecht

Die als het erop aankomt

Voor je bidt of voor je vecht

Pas als je iemand hebt

Die met je lacht en met je grient

Dan pas kan je zeggen

Ik heb een vriend. 


Een versje van Toon Hermans, waarin simpele WIJSHEID

met de KRACHT van weinig woorden SCHOONHEID wordt.


Emoties delen, dat is vriendschap! Met elkaar en tegelijkertijd om elkaar lachen en grienen. Dat doe je met een vriend. En misschien ook wel eens met een minder goed gekende broeder, of zelfs met iemand met wie je toevallig in gesprek geraakt bent in de trein,maar dat is toch weer even net iets anders. Met een vriend zoek je het op, is het geen toeval!


Vergelijk de eenvoud van Toon met de complexiteit van bijvoorbeeld de oudtijdse Griek Aristoteles. Die zei:

Vriendschap is één ziel in twee lichamen.

Dat is het ‘buitenaardse’, met een ‘d’, verenigd met het aardse, zoals Spinoza dat deed met het verenigen van God en de natuur. Maar om te achterhalen wat het nou eigenlijk zegt over vriendschap heb je een meter boeken nodig en dan weet je het nog niet. Misschien is die hoogdravendheid ook wel niet des Jans en des Aarts, nu met een ‘t’. 


Aristoteles zei ook:

Ware vriendschap is de liefde voor de

ander, omwille van de ander.

Dat zou wel eens net iets te Grieks kunnen zijn voor nuchtere Nederlanders zoals jullie, die zich comfortabeler voelen bij een onderscheid tussen liefde en vriendschap, hoe waar die vriendschap ook is.


Maar Aristoteles zei ook:

De wens om vrienden te worden is

snel gedaan, maar de vriendschap is

een langzaam rijpend fruit.

En dat zou weleens kunnen kloppen. Vragen “Wil je mijn vriendje zijn?”, dat deed je op de Lagere School, voor je puberteit met korte ei of je pubertijd met lange ij. Dat hebben Aart en Jan nooit aan elkaar gevraagd. Dat hoefde niet, jullie zijn door inwijding broeders van elkaar geworden zonder elkaar te kennen en het moment waarop jullie broeders zijn geworden is op dag en uur aan te geven. Maar is er één moment aan te wijzen waarop jullie van broeders plots broeder-vrienden werden? ’t Was langzaam rijpend fruit, toch?

Wanneer wordt de bloesem vrucht?

Wanneer is die vrucht rijp genoeg?

Is er een moment waarop het fruit wordt gegeten?

Pas als ze er rijp voor zijn zullen vrienden het weten.

Vrienden waren jullie al voor jullie zo heetten. 


Of luister naar de oudtijdse Romein Cicero. Die zei:

Ware vriendschap duurt levenslang.

‘Levenslang’ krijg je al bij je geboorte. Na je geboorte is ‘levenslang’ steeds de rest van je leven.

Ik heb twee keer idealistisch gehoopt dat ik met ware liefde levenslang zou krijgen in een huwelijk. Was het dan twee keer achteraf geen ware liefde? Nu hout ik van, zonder d, in een latrelatie, in de hoop dat die levenslang is. Ik blijf tegen beter weten in een idealist, naar de stijl der vrijmetselaren. Ware vriendschappen kunnen op de klippen van de harde werkelijkheid sneuvelen, idealen kun je overeind houden. ook als ze onhaalbaar blijken.


Broederschap hoort in mijn idealisme niet te eindigen doordat een broeder de Orde dekt. Hij is ingewijd en dat kun je niet ongedaan maken. Ik ben katholiek gedoopt. Dat blijf ik ook als ik me heb laten uitschrijven als katholiek bij de burgerlijke stand. Vriendschap is vergankelijk, broederschap niet.


Cicero zei ook:

Vriendschap wil doodeenvoudig zeggen:

het liefdevol met elkaar eens zijn

over alle vragen des levens.

Nou … geef mij dan maar Broederschap! Dan hoef ik het doodeenvoudig niet liefdevol eens te zijn met mijn broeders, zonder dat ik daarvoor de broederschap moet opgeven. Overigens blijf ik met mijn weinige vrienden liefdevol vriend, ook als de levensvragen of de antwoorden daarop grotelijks verschillen. Ik heb vrienden die hopen mij in het hiernamaals terug te zien, ik hoop op ‘eeuwige rust’.  


Er zijn ook minder oudtijdse wijzen die een meer verlichte kijk op vriendschap hebben. Bijvoorbeeld de 19-eeuwse, vergeten Franse filosoof Hipolyte Taine. Die zei:

Geen menselijk wezen wordt 

door een ander begrepen. 

Ten hoogste dulden ze of aanvaarden ze elkander

uit gewoonte, geduld, belang, 

of vriendschap.

Die vriendschap komt dichterbij broederschap. Broeders horen elkaar te tolereren in hun verschillen. Mooier zou zijn dat ze elkaar daarin waarderen, maar tolereren is een mooi begin op weg daarheen. En wat mij betreft is dat met vrienden net zo. 


Erasmus heeft in zijn leven voldoende negatieve ervaringen opgedaan met vriendschap om vast te stellen:

Zolang de pot op het vuur staat, leeft de vriendschap.

Hij heeft die wijsheid overigens gepikt van Plutarchus, die voor hem had gezegd:

Zolang de pot kookt, leeft de vriendschap.

Het is oude wijsheid dat vriendschap ‘gevoed’ moet worden. Dat geldt overigens ook voor Broederschap. Niet voor niets is een Broedermaal een wezenlijk deel van het maçonnieke ritueel. Samen het brood en de wijnbeker delen is een universele wijze van het versterken van verbinding.


Dingen samen meemaken kan een vriendschapsband tot gevolg hebben. De broederband heeft tot gevolg dat je samen dingen meemaakt. 


Het grootste verschil tussen vriendschap en broederschap is dat de eerste een keus is en de tweede een opdracht.

Toen u ingewijd werd heeft de Meester alle broeders verzocht, desnoods gelast, u als zodanig te erkennen. Ook al ken ik slechts weinigen hier van naam of van gezicht, en zou ik hen zonder groeten op straat voorbijlopen, het gegeven dat u bent toegelaten in deze Open Loge betekent voor allen hier vergaderd dat wij elkaar als Broeder erkennen, simpelweg omdat u en ik dat hebben meegekregen, met ongeveer dezelfde rituele bewoording, als opdracht van de Meester die ons heeft aangenomen. Die opdracht is onvoorwaardelijk,

niet afhankelijk van het ik van mijn medebroeder.


Dat is de essentie van het ritueel, dat aan een ik wordt voltrokken, maar geen ik kent.


Een van de eerste ervaringen van een kandidaat die aanklopt aan de deur der Loge is dat de vragen die gesteld worden niet aan hem, maar over hem gesteld worden.

Broeder Voorbereider beantwoordt de vragen namens de

kandidaat. Als de Meester vraagt: “Wat voert deze man hierheen?” is het antwoord: Alleen het verlangen ingewijd te worden, voert hem tot u: Hij zoekt het Licht.

Dat hoeft de kandidaat niet zelf te bedenken. Het is des rituaals dat het rituaal weet wat de kandidaat nog niet wist

en vanaf nu wel hoort te weten: u zoekt het Licht.

En als de Meester de kandidaat toespreekt: “Ik vraag u thans: Is het nog uw oprecht verlangen om te worden opgenomen in de Orde van vrijmetselaren, en mag de kandidaat dan eindelijk zelf antwoord geven, dan houdt het rituaal eenvoudigweg geen rekening met het antwoord ‘nee’.

Toen uw ‘ik’ aanklopte als profaan wist uw ‘ik’ waarschijnlijk nog niet dat u na het geheel van het ritueel voortaan met broederliefde de Loge zou binnenkomen om beter mens te worden en dat het uw begeerte was ‘om met de Meester te werken. 

Vermoedelijk wist uw ‘ik’ het na afloop ook niet allemaal meer, maar het voordeel van het ritueel is dat het elke keer weer hetzelfde liedje is. Zo werkt het ritueel, zo wordt uw ‘ik’ vrijmetselaar. Zo eenvoudig is het maconnieke complex. Zo complex is de maçonnieke

eenvoud.


Vriendschap is een individuele aangelegenheid,

broederschap een gezamenlijke rituele. levenslange opdracht.


Daarom eindig ik met de wijze humorist met wie ik begon,

Toon Hermans. Zijn versje zou zo maar, als karakterisering van broederschap, in onze Ordegrondwet mogen staan en zou Aristoteles gelijk geven als hij had gezegd dat ware broederschap één ziel is in meerdere lichamen:


Wat zal ik schrijven over ‘Ik’!

‘Ik’ ben een deel van ‘Jij’

En ‘Jij’ bent ‘Ik’ door dun en dik

en daarom zijn wij ‘Wij'